Verklarende woordenlijst: Informatie voor patiënten en hun familie

Autosomaal.
We hebben 23 chromosomen -paren. Paren 21 tot 22 zijn hetzelfde bij mannen en vrouwen en worden autosomen genoemd. Het 23ste paar is verschillend bij mannen en vrouwen en wordt het geslachtschromosomenpaar genoemd.
Autosomale dominante genetische aandoeningen.
Bij deze aandoeningen hoeft de persoon slechts één defecte ( gemuteerde ) kopie te erven van het gen om ook daadwerkelijk de aandoening te hebben. Het gemuteerde gen is dominant ten opzichte van het normale gen .
Autosomale recessieve genetische aandoeningen.
Bij deze aandoeningen moet de persoon twee defecte ( gemuteerde ) kopieën van het gen erven om de aandoening ook daadwerkelijk te hebben (één defect gen van elke ouder). Een persoon die slechts één kopie van het gemuteerde gen heeft, zal enkel een drager zijn.
Baarmoeder.
In de baarmoeder groeit bij de vrouw de baby tijdens de zwangerschap (ook uterus genoemd).
Cel.
Het menselijk lichaam bestaat uit miljoenen cellen, die zowat de bouwstenen zijn van ons lichaam. De cellen in de verschillende lichaamsdelen zien er verschillend uit en hebben ook verschillende taken. Elke cel (met uitzondering van de eicellen bij vrouwen en zaadcellen bij mannen) bevatten 2 kopieën van elk gen .
Chromosomen.
Draadvormige structuren die zichtbaar zijn onder het microscoop en die de genen bevatten. Elke mens heeft normaal 46 chromosomen. We erven één set van 23 chromosomen van de moeder, en één set van 23 chromosomen van de vader.
Chromosomen-ring.
Term die wordt gebruikt wanneer de uiteinden van een chromosoom samenzitten tot een ring.
Conceptie (bevruchting).
Wanneer een eicel en zaadcel samensmelten, en de eerste cel van een nieuwe baby vormen.
de novo.
Uit het Latijn, dat "van nieuw" betekent. De term wordt gebruikt om een veranderd gen of chromosoom te omschrijven, dat "nieuw" is bij een kind, en waarbij de beide ouders dus normale genen of chromosomen hebben.
Deletie.
Het ontbreken van een stukje van het genetisch materiaal. De term wordt gebruikt voor zowel een ontbrekend stukje gen als een stukje chromosoom .
DNA.
De chemische substantie waaruit de genen bestaan en die de informatie bevat die nodig is om het lichaam te doen functioneren.
Drager (van een chromosoomtranslocatie).
Een persoon die een gebalanceerde translocatie heeft, waarbij er geen chromosomenmateriaal ontbreekt of is bijgekomen, en die hier dan ook meestal niets van merkt.
Drager.
Een persoon die meestal niet is getroffen door de aandoening (of niet op dat moment), maar die wel een defecte kopie van het gen draagt. In het geval van recessieve aandoeningen zal de persoon de aandoening meestal niet hebben; in het geval van dominante aandoeningen kan de persoon de aandoening eventueel later ontwikkelen.
Duplicatie.
Een verdubbeling van genetisch materiaal in een gen of chromosoom .
Echografie.
Een pijnloze test die via geluidsgolven beelden geeft van de zich ontwikkelende baby tijdens de zwangerschap. Dit gebeurt via een klein scanner-apparaatje dat over de huid van de buik wordt bewogen of kan ook in de vagina worden ingebracht.
Eicel.
De bijdrage van de moeder tot een cel die tot een baby zal uitgroeien. Deze eicel bevat 23 chromosomen , één van elk paar chromosomen van de moeder. De eicel versmelt met de zaadcel tot een volledige, nieuwe cel , waaruit de baby zich ontwikkelt.
Eierstok (ovarium).
Orgaan in het lichaam van een vrouw dat de eicellen produceert.
Embryo.
Een vroeg stadium in de ontwikkeling van een menselijke vrucht. Het embryo ontwikkelt zich uit de eerste cel in het vroege stadium van de zwangerschap, na de bevruchting van een eicel door een zaadcel . Het ziet er nog niet uit als een baby, maar bestaat uit de cellen die zich tot een baby zullen ontwikkelen. Zeer vroege embryos ontwikkelen zich soms buiten de baarmoeder.
Erfelijke aandoening.
Een aandoening die wordt overgeërfd (overgedragen binnen families).
Familiestamboom.
Een diagram dat de verschillende mensen in een familie in kaart brengt en hun relatie tot elkaar, en waarmee je ook je familieleden kan aangeven die de genetische aandoening hebben.
Foetus.
De periode waarin de baby gaat van de embryo-fase naar een foetus-fase die duurt tot aan de geboorte, en dit vanaf de 9de week na de bevruchting.
Gebalanceerde translocatie.
Een translocatie waarbij geen chromosomen -materiaal verloren is gegaan of bijgekomen, maar waarbij de structuur is veranderd. Een persoon met een gebalanceerde translocatie heeft meestal geen verdere problemen.
Gen.
De informatie die nodig is voor het lichaam om te functioneren, opgeslagen in een chemische vorm op de chromosomen .
Genetisch.
Veroorzaakt door de genen , met betrekking tot de genen .
Genetische aandoening.
Een aandoening of ziekte die wordt veroorzaakt door een afwijking in een gen of chromosoom .
Genetische counseling.
Informatie en begeleiding voor mensen die bezorgd zijn om een aandoening die een erfelijke basis zou kunnen hebben.
Genetische counselor.
een specialist die informatie en begeleiding geeft aan personen die bezorgd zijn over de erfelijke aspecten van een ziekte.
Genetische test.
Een test die kan helpen in de identificatie van een verandering, een defect in een bepaald gen of chromosoom. Meestal is dit op basis van een bloed- of weefselstaal. (voor meer informatie, zie de folder 'Wat is een genetische test?')
Geslachtschromosomen.
Het X-chromosoom en het Ychromosoom. Deze chromosomen bepalen of iemand een vrouw of een man is. Vrouwen hebben twee X- chromosomen en mannen hebben een X- en een Y- chromosoom .
Geslachtsgebonden aandoening.
Zie X-gebonden aandoening.
Insertie.
De toevoeging van bijkomend genetisch materiaal aan een gen of chromosoom .
Inversie.
Een verandering in de volgorde van de genen op een bepaald chromosoom. (voor meer informatie zie de folder 'chromosoomafwijkingen')
Karyotype.
Een beschrijving van de chromosomen -structuur van een individu, inclusief het aantal chromosomen en elke variatie op het normale patroon.
Miskraam.
Een vroegtijdig einde van de zwangerschap, waarbij de baby nog niet kan overleven buiten de baarmoeder .
Mutatie.
Een verandering in een gen . Soms wordt hierbij ook de informatie van het gen veranderd, en werkt het gen niet goed. Dit kan een genetische aandoening veroorzaken.
Negatief resultaat.
Dit testresultaat betekent dat de geteste persoon de gen verandering (gen mutatie ) niet heeft.
Nekplooitest.
Een echografie van de achterkant van de nek van de baby, waarbij de dikte van de ‘nekplooi’ wordt gemeten. In het vroege stadium van de zwangerschap is daar namelijk een plekje met opgehoopt lichaamsvocht, dat bij aangeboren afwijkingen (zoals Down syndroom ) een afwijkende afmeting kan vertonen.
Ongebalanceerde translocatie.
Een translocatie waarbij de chromosomen-herrangschikking een te grote of een ontbrekende hoeveelheid chromosomen-materiaal veroorzaakt. Dit kan voorkomen bij een kind waarvan de ouders een gebalanceerde translocatie hebben.
Placenta (of nageboorte).
De placenta bevindt zich in de wand van de baarmoeder bij een zwangere vrouw. De baby krijgt voedsel van de placenta. De placenta ontwikkelt zich grotendeels uit de bevruchte eicel en heeft dus meestal dezelfde genen als de baby.
Positief resultaat.
Dit testresultaat betekent dat er bij de geteste persoon de gen verandering (gen mutatie ) is vastgesteld.
Predictieve test.
Een genetische test voor een aandoening die zich later in het leven kan of zal ontwikkelen. Wanneer het een genetische test is voor een aandoening die zich later bijna zeker zal ontwikkelen, spreekt men soms van een presymptomatische test .
Prenatale diagnose.
Test tijdens de zwangerschap op het al dan niet aanwezig zijn van een genetische aandoening bij de baby.
Presymptomatische test.
Zie predictieve test.
Reciproke translocatie.
Een reciproke translocatie betekent dat twee stukjes van twee verschillende chromosomen afbreken en van plaats wisselen.
Robertsoniaanse translocatie.
Een Robertsoniaanse translocatie betekent dat één chromosoom zich aan een andere heeft vastgehecht. (voor meer informatie, zie de folder 'Chromosomentranslocaties')
Translocatie.
Herrangschikking van het chromosomen materiaal. Dit gebeurt wanneer een stukje chromosoom is afgebroken en zich aan een ander chromosoom vasthecht. (voor meer informatie, zie de folder ‘Chromosomentranslocaties’)
Uitstrijkje.
Een test die aan alle vrouwen wordt aanbevolen en waarmee een afwijking in de cellen bij de mond van de baarmoeder kan worden vastgesteld.
Ultratonen onderzoek (echografie).
een pijnloze test die geluidsgolven gebruikt om beelden van de baby te maken tijdens de zwangerschap. Meestal wordt het hoofd van een scanner over de buik van de moeder bewogen.
Uterus.
Medische term voor baarmoeder .
Vagina.
Het kanaal dat de baarmoeder met de buitenwereld verbindt, ook het geboortekanaal of schede.
Vlokkentest.
Een test die tijdens de zwangerschap plaatsvindt, waarbij een aantal cellen worden afgenomen om de genen of chromosomen van de baby te testen op een specifieke genetische afwijking. Er worden een klein aantal cellen genomen van de zich ontwikkelende placenta , die dan naar een laboratorium gaan voor onderzoek. (voor meer informatie, zie de folder ‘Vlokkentest’)
Vruchtwaterpunctie (amniocentese).
Een test waarbij de genen of chromosomen van de ongeboren baby worden getest. Een baby wordt in de baarmoeder omringd door vruchtwater, dat een aantal huid cellen bevat van de baby. Er wordt een kleine hoeveelheid vruchtwater genomen met een dunne naald die door de buikwand van de moeder gaat. Dit vruchtwaterstaal wordt dan getest in een laboratorium. (voor meer informatie, zie de folder 'Vruchtwaterpunctie')
X-chromosoom.
Eén van de geslachtschromosomen . Vrouwen hebben twee X- chromosomen , mannen hebben gewoonlijk één X- en één Y- chromosoom .
X-gebonden aandoeningen.
Een genetische aandoening veroorzaakt door een mutatie (verandering) in een gen op het X-chromosoom . Voorbeelden zijn hemofilie, de spierziekte van Duchenne en Fragiele-X-syndroom. (voor meer informatie, zie de folder ‘X-gebonden overerving‘)
XX.
Dit zijn meestal de geslachtschromosomen van een vrouw. Vrouwen hebben meestal twee X-chromosomen , één van elke ouder.
XY.
Dit zijn meestal de geslachtschromosomen van een man. Mannen hebben één X-chromosoom en één Y-chromosoom . Mannen erven hun X-chromosoom van de moeder en hun Y-chromosoom van de vader.
Y-chromosoom.
Eén van de geslachtschromosomen . Mannen hebben één Y-chromosoom en één X-chromosoom . Vrouwen hebben twee X- chromosomen .
Zaadcel.
De bijdrage van de vader tot een cel die tot een baby zal uitgroeien. Deze zaadcel bevat 23 chromosomen , één van elk paar chromosomen van de vader. De zaadcel smelt samen met de eicel tot een volledig nieuwe cel , waaruit de baby zich ontwikkelt.

Andere verklarende woordenlijsten rond genetica op het volgende adres: www.erfelijkheid.nl

Credits

Gebaseerd op een woordenlijst die werd ontwikkeld door ‘Londen IDEAS Genetic Knowledge Park’ aangepast volgens hun kwaliteitsnormen.

Januari 2008

Gesteund door EuroGentest, NoE (“Network of Excellence”) contract nr.512148, gesteund door EU-FP6

Not all the leaflets are available in every language.

Select another language:

About EuroGentest
About Us
FAQ
Credits
LinkedIn
Policies
Privacy
Disclaimer
Accessibility
Standards Valid XHTML 1.0 Transitional Valid CSS!
Advertising
European Union
Contact Information
EuroGentest
Center for Human Genetics
University of Leuven
Herestraat 49 Box 602, 3000 Leuven, Belgium
webmastereurogentestorg, Tel: +32 16 340321, More...

Copyright EuroGentest2 Coordination Action 2011 - EU Contract no.: FP7 - HEALTH-F4-2010-261469